
Groenten kunnen worden ingedeeld in bladgroenten, stengelgroenten, knol-, bol- en wortelgewassen, vruchtgewassen, kiemgroenten en erwten, bonen en andere peulvruchten. Ook koolsoorten worden vaak als aparte groep beschouwd. Verder zijn er gewassen waarvan de bloemen worden gegeten, zoals artisjok, bloemkool en broccoli. Van elk van deze groepen volgen hier enkele voorbeelden. De uitgebreide teeltaanwijzingen voor het zaaien staan altijd op de zaadverpakkingen.
BLADGROENTEN
Dit zijn uiteraard gewassen waarvan de bladeren rauw (bijv. kropsla) of gekookt (spinazie) worden gegeten. Enkele voorbeelden:
Slasoorten
Er zijn slasoorten waarbij iedere plant een oogstbare krop levert, maar ook soorten (pluksla, snijsla) waarvan naar behoefte blad kan worden gesneden en die dan weer opnieuw uitgroeien voor de volgende oogst (in dezelfde groeiperiode). Ook zijn er sla-achtige rassen die nauw verwant zijn aan andijvie of uitheemse (Aziatische) soorten die wat bitterder of pittiger smaken (rucola), en lekkere slamengsels waar allerlei soorten door elkaar uitkomen. Die zijn zeker het proberen waard.
Alleen al van kropsla bestaat een grote verscheidenheid aan rassen die boterzacht tot knapperig fris blad (ijsbergsla) kunnen hebben en vaak speciaal geschikt zijn voor voorjaar- of late teelt. Er zijn ook kleurrassen en rassen met een heel eigen smaak (eikenbladsla bijv. heeft een lichte notensmaak). Elk jaar komen er nieuwe rassen op de markt met nog betere, of andere eigenschappen. Probeer ze uit!
Andijvie
Dit is een lid van de witlof- en groenloffamilie (familie van de paardenbloem;vroeger werd paardenbloemblad ook als ‘molsla’ gegeten als een mol er zand over had gewerkt, waardoor het blad ‘bleekte’ en minder bitter werd). De smaak van andijvie is ook enigszins bitter. Oudere rassen bevatten de meeste bitterstoffen. Andijvie is rauw (als salade of in stamppot), maar ook gekookt te eten. Veel rassen kunnen zelfs nog in de late herfst worden geoogst (maar ze zijn niet winterhard). Er zijn breedbladige en gekruldbladige rassen en rassen voor zomer- en herfstteelt.
Boerenkool
Dit is een echte wintergroente waarvan het blad vanaf december tot het voorjaar kan worden geoogst. Een ideale, voedzame, makkelijk te kweken groente die zelfs strenge vorst doorstaat (evenals de verwante spruitkool, waarvan niet de uitgegroeide bladeren, maar de blad‘roosjes’ worden gegeten). Er zijn glad- en krulbladige rassen en zelfs rassen met een aparte bladkleur (paarse boerenkool). Leuk om te proberen!
Spinazie
Er worden vooral twee soorten spinazie geteeld: scherpzadige rassen voor de zomerteelt en rondzadige voor de winterteelt. Goed verdeeld kunt u dus bijna jaarrond over vers spinazieblad beschikken. Spinazie groeit snel, maar kan slecht tegen te veel warmte en droogte. Er is ook Nieuw-Zeelandse spinazie. Dit is een totaal ander gewas dan de gewone spinazie, maar vanwege de succulente eigenschappen ideaal op wat drogere plekken waar gewone spinazie niet wil groeien. Nieuw-Zeelandse spinazie kruipt met lange, bladerrijke scheuten over de grond. De smaak van het blad is vrijwel gelijk aan die van gewone spinazie.
STENGELGROENTEN
Dit zijn groenten waarvan de stengels worden gegeten. Hierboven noemden we al rabarber. Andere soorten zijn bijv. bleekselderij en de eveneens al behandelde asperges. Zeldzamer is de teelt van (gebleekte) zeekoolstengels, hoewel die uitstekend smaken.
Bleekselderij
Dit wordt in Nederland niet algemeen geteeld, in Engeland des te meer. Daar zijn bleekselderijstengels een algemene snack (lekker om rauw te eten) en groente. De planten vormen, lange, kale bladstelen met alleen aan de toppen wat blad. Kies een zelfblekend ras, zoals ‘Goudgele Zelfblekende’, of een groenblijvend ras (in het buitenland zijn groene rassen meer in zwang vanwege de pittiger smaak).
KNOLGEWASSEN
Dit zijn allemaal gewassen die zich niet makkelijk laten verplanten, dus ze moeten opgroeien op de plek waar ze worden gezaaid. Echte knolgewassen zijn bijvoorbeeld aardappelen en aardperen, maar ook radijs, de kleine, pittig smakende knolletjes of meiraapjes, koolraap, rode biet of kroot en knolselderij worden wel knolgewassen genoemd. Het zijn planten die of speciale knollen aan de wortels vormen waarin reservevoedsel wordt opgeslagen, of die zulke dik opgezwollen wortels vormen dat ze nauwelijks meer als wortel herkenbaar zijn en daarom ook met ‘knol’ worden aangeduid.
Radijs
Deze knolletjes met hun frisse, pittige smaak, kent iedereen. Er zijn lange en ronde vormen, rode, witte, oranje en zelfs roze en half rode/half witte radijzen. De langere, meer wortelachtige vormen zijn geschikt voor lossere grond, de ronde voor zwaardere grond. Die groeien ook sneller. Rettich (een dikke witte wortel) is een grote, lange radijssoort met ongeveer dezelfde smaak. Rammenas is ook nauw verwant. Dat is een pittig smakende wortel met een zwarte schil.
Rode biet of kroot
Van dit gewas bestaan drie typen: platte, platronde en kogelronde knollen. Ook zijn niet alle rode bieten rood, er zijn ook rassen met roze en zelfs met gele knollen. Het type ‘Bleekblad’ heeft veel lichter groen blad dan de andere rassen. Voor een vroege teelt is vooral de platte vorm geschikt, maar die is ook minder goed te bewaren dan met name de ronde rode biet.
Knolselderij
Van deze selderijsoort wordt niet alleen het blad, maar vooral de knol gebruikt. Heerlijk als groente (bij worteltjes), in soepen, en rauw in salades. De smaak is iets zachter dan van bladselderij.
BOLGEWASSEN
Een echte knol heeft een homogene structuur (een vaste massa met een schil er omheen), terwijl een bol is opgebouwd uit verdikte, omgebouwde bladeren die om elkaar heen liggen en uit een groeikern (de bolbodem) komen, zoals bij een ui. Beide bevatten reservevoedsel voor de plant die er uit kan groeien.
Uien
Uien zijn bijna onmisbaar in de keuken en dus in een moestuin.
Er zijn veel verschillende rassen rode en gele bewaaruien, zilveruitjes, stengeluitjes, boomuitjes (die vormen niet alleen onderaan, maar ook boven aan de stengel uitjes) enz. Ze smaken allemaal verschillend en worden ook iets verschillend geteeld. Als voorbeeld: bewaaruien. Maak een uienrand om de tuin heen – werkt prima tegen konijnen!
Sjalotten
Sjalotten zijn uien met (vaak) teentjes in de bol. Ze smaken wat pittiger dan uien en worden graag voor inmaak en in salades gebruikt. Ze zijn uitstekend droog en koel te bewaren.
Knoflook
Het enige minpunt aan knoflook is de penetrante geur die heel vervelend kan zijn voor mensen die zelf geen knoflook hebben gegeten. Maar dat is heel eenvoudig op te lossen: laat de knoflooketer even op verse peterselie kauwen en de geur wordt een stuk minder penetrant. Een ander huismiddeltje is het kauwen op een koffieboon. Dat helpt ook. Knoflook werkt enorm antiseptisch en beschermt daardoor tegen infecties. Het is heel bloedzuiverend.
WORTELGEWASSEN
Wortelgewassen vormen een duidelijk verdikte (pen)wortel. Voorbeelden zijn penen of (winter)wortelen, pastinaken en schorseneren.
Wortelen
Er zijn zomerwortelen en winterwortelen. Iedereen herkent ze aan de oranje kleur. Er zijn tientallen rassen. De snelgroeiende, kleinere, soms bijna ronde of halflange typen zijn vooral zomerwortelen. Winterwortels zijn zwaarder en langer en vragen een langere groeiperiode. Voorbeelden van de eerste zijn de ‘Amsterdam-’ en ‘Nantes’-typen . Een goede winterwortel is bijv. de ‘Flakkese Rode’.
Pastinaak
Dit is een bijna vergeten wortelgroente die de laatste jaren wordt herontdekt. Eigenlijk is het een ook in Nederland verwilderderde, dus bijna inheemse plant, waarvan veredelde rassen voor groenteteelt worden gebruikt. De wilde planten kunt u in wegbermen en op dijkhellingen aantreffen. U kunt ze in juli-augustus aan de gele bloemschermen herkennen. Pastinaak is nauw verwant aan penen of wortelen. De witte pastinaakwortels bevatten een hoog gehalte aan natuurlijke suikers. Ze smaken kruidig zoet.
Schorseneren
Schorseneren vormen een hoog gewas (tot ca. 125 cm) dat bloeit met citroengele bloemen. De planten vormen lange, donkerbruine (bijna zwarte), eetbare, heerlijk smakende wortels. Het zijn tweejarige planten, er kan dus pas in het tweede jaar worden geoogst. De wortels van bloeiende schorseneren blijven zacht en uitstekend eetbaar, wat bij veel andere wortelgroenten niet het geval is. Deze groentesoort wordt ook wel ‘keukenmeidenverdriet’ genoemd, omdat de lange wortels voor de bereiding moeten worden geschild, waarbij kleverig melksap vrijkomt dat lastige zwarte vlekken op de huid geeft.
VRUCHTGEWASSEN
Dit zijn de zogenaamde vruchtgroenten, dus gewassen waarvan de vruchten als groente worden gegeten. De meeste vragen bijzondere zorg en warmte en moeten beschut onder glas worden geteeld, maar er zijn er ook die tijdens het normale groeiseizoen in ons klimaat buiten kunnen worden geteeld, zoals sommige tomatenrassen en speciale komkommerrassen voor de buitenteelt, ook augurken en bijv. pompoenen en courgettes. Soorten zoals aubergines, meloenen, paprika’s en pepers moeten in een kas worden geteeld.
Tomaten
Lang niet alle tomatenrassen zijn in ons wisselvallige weer hard genoeg om de omstandigheden buiten gezond te overleven. Er zijn verschillende tomatengroepen, bijv. de struiktomaten, waar u weinig werk aan heeft, maar die zich sterk vertakken en dan al gauw 1 m² ruimte voor zich opeisen. U plukt er de lekkere, kleine kerstomaten van (in overvloed!). Een andere groep vormen de vleestomaten. Goede buitenrassen daarbij zijn bijv. de aloude ‘Moneymaker’ (rond en rood), ‘Marmande’ en (heel leuk) ‘Golden Sunrise’ dat goudgele tomaten geeft (even lekker als rode!). Er zijn ook tomatenrassen die paarse, roze en bijna zwarte, zelfs gestreepte vruchten geven. De belangrijkste eigenschap van goede buitenrassen is dat ze vroeg rijpen. Voor de meeste tomatenrassen zijn onze zomers net iets te kort.
Komkommers
De meeste komkommerrassen zijn alleen geschikt voor teelt in de kas. Komkommerrassen voor buiten kunnen wat beter tegen lage temperaturen en wisselende weersomstandigheden, maar nog altijd niet zo goed als augurken. Daar lijken ze overigens wel wat op, want ze hebben ook een minder gladde huid dan kaskomkommers en ze zijn korter.
Augurken
De augurk is een nauwe verwant van de komkommer. Ze behoren zelfs tot dezelfde soort. De vruchten doen nog het meeste aan kleine komkommers denken. Goed om in te maken (in zuur inleggen) of vers te eten.
Pompoenen
Dit is een rankend groeiende vruchtgroente die in al zijn verscheidenheid een enorme variatie aan vruchtvormen te zien geeft. Er zijn tientallen rassen met allerlei vruchtkleuren en groeivormen. Het is leuk om ieder jaar andere rassen te proberen tot u uw favorieten heeft gevonden.
Ook de smaak van deze heerlijke vruchten kan sterk verschillen, van nootachtig tot kruidig en van zoet tot fris. Gegeten wordt het vruchtvlees, maar er zijn ook rassen die vooral grote aantallen pitten opleveren die gedroogd als gezonde snack kunnen worden gegeten. Het vruchtvlees kan homogeen of sterk vezelig zijn. Er zijn zelfs zogenaamde spaghettipompoenen waarbij het vruchtvlees uit lange, dikke ‘draden’ bestaat. De planten groeien min of meer wild uit met lange, kruipende scheuten. Ze vormen mooie gele kelkvormige bloemen die ook eetbaar zijn. Leuk kleureffect in salades!
Courgettes
Courgettes zijn wat de Amerikanen ‘squashes’ noemen, niet-rankende pompoenen die groene of gele, komkommerachtige of platronde, vliegende-schotelachtige vruchten geven. De platte vormen worden ook wel ‘patisson’ genoemd. Een bekend ras is de lichtgroene ‘Peter Pan’. Courgettes geven veel opbrengst, zeker als er regelmatig wordt geoogst lijkt er geen eind aan de stroom vruchten te komen. De vruchten smaken vrij neutraal, iets zoetig. In Italië worden ze ‘zuchetti’ genoemd, in Duitsland ‘Kussa’.
KIEMGROENTEN
Dit zijn groentesoorten waarvan de pas gekiemde zaailingen worden geoogst en gegeten. Ze worden ook wel spruitgroenten of kiemen genoemd. Ze zijn rijk aan vitaminen, heel makkelijk te kweken en erg lekker in bijv. salades.
Bekende kiemgroenten zijn o.a.:
- Tuinkers
- Mosterdzaad
- Basilicum
- Radijs
- Kikkererwten
- Lijnzaad
- Sojabonen
- Preizaad
- Taugé (katjang-idjo of mungbonen)
PEULVRUCHTEN
Dit zijn groenten zoals (dop)erwten, bonen en peulen. De teelt is over het algemeen heel makkelijk en de vruchten van deze planten zijn zeer voedzaam. Voor de komst van de aardappels (uit Zuid-Amerika) vormden peulvruchten samen met granen het hoofdvoedsel in Europa. De opbrengst is meestal heel behoorlijk en met name de zogenaamde ‘droge bonen’ zijn lang bewaarbaar. Bovendien doen peulvruchtgewassen het goed op bijna iedere grondsoort, zolang ze maar zon krijgen en er voldoende luchtcirculatie om de planten heen plaats heeft.
Peulvruchten hebben als aardige extra eigenschap dat de planten stikstof uit de lucht in de grond brengen. Dat doen ze in samenwerking met nuttige bacteriën die in kleine knolletjes aan de wortels leven. Als die wortels na de oogst van de planten nog een tijdje in de grond blijven en wegrotten, komt die stikstof weer aan de grond ten goede. Gooi de wortelresten anders altijd op de composthoop of in uw compostcontainer (behalve als het zieke planten betreft). Daar verrijken ze dan de compost met stikstof.
KOOLSOORTEN
Dit betreft uitsluitend leden van de grote Brassica-familie, waarvan heel wat soorten in Europa in het wild voorkomen. Voor consumptie worden alleen al eeuwenlang verdedelde soorten gebruikt, waarvan de wilde vorm vaak niet meer te vinden is. Mogelijk gaat nieuw DNA-onderzoek de herkomst uitwijzen. Alle oude culturen rond de Middellandse Zee kenden diverse koolsoorten als voedselgewas en geneeskrachtige plant. Koolsap uit gekneusd blad op een wond ontsmet bijvoorbeeld!
Sluitkolen
Dit betreft koolsoorten zoals rode, witte, groene en savooiekool die een gesloten bladerkrop vormen. Spitskool en Chinese kool horen ook bij deze groep.
Als voorbeeld volgen teeltgegevens voor rode en witte kool. Beide zijn uitstekend vers te eten (ook fijngesneden als salade) en te verwerken (ook in te maken). Witte kool is het basisproduct voor het maken van zuurkool. Er zijn verschillende rassen voor de teelt in verschillende seizoenen.
Een vroeg rode-koolras (zomerkool) is bijv. ‘Kogel’, middelvroeg (herfst) is ‘Langedijker Herfst’ en laat (winter) is ‘Langedijker Winter’. De laatste heeft het stevigste blad. Een vroege witte kool is ‘Eersteling’. Deze heeft de spitskoolvorm. De middelvroege ‘Brunswijker’ is uitstekend voor de zuurkoolbereiding. Een stevige (kleine) bewaarkool is ‘Langedijker Bewaar’.
EETBARE BLOEMEN
Hierbij gaat het om groenten zoals artisjok, bloemkool en broccoli.
Artisjok
Dit is een buitengewoon decoratieve groente. Eigenlijk is het een meerjarige sierdistel (een vaste plant) waarvan de bloemen (de opgezwollen, vlezige schutbladen van de nog niet geopende bloem) worden gegeten.
Er zijn diverse rassen, maar die zijn niet erg zaadvast. Uit een pakje zaad kunnen heel verschillende planten groeien, met of zonder stekels, hoog en laag en ook de meestal lichtgroene kleur van de bloemknoppen kan verschillen. Het ras ‘Grote van Napels’ heeft bijv. enigszins violette schutbladen.
Bloemkool
Dit gewas is al heel lang erg geliefd. De oude Egyptenaren kenden de bloemkool al. Iedere plant produceert een grote bloemtros die een gesloten ‘kool’ vormt en uit een groot aantal aparte ‘roosjes’ bestaat. De smaak van zelfgeteelde bloemkool is verrukkelijk, veel zachter dan de met veel mest snel gegroeide bloemkool die u in de supermarkt koopt. Er zijn ook van bloemkool verschillende rassen voor de teelt in verschillende seizoenen, bijv. ‘Mechelse’ voor de zomerteelt en ‘Alpha’ voor de late zomer/herfstteelt. Er zijn zelfs rassen voor de late herfst/winterteelt. Bloemkool is een moeilijk te telen koolsoort, omdat deze hoge eisen stelt.
Broccoli
Het verschil tussen broccoli en bloemkool is niet zo groot. Het zijn nauw verwante gewassen. Broccoli is vaak meer een wintergroente. Er zijn verschillende soorten broccoli, spruitende met groene en met paarse ‘roosjes’ of kooltjes, andere vormen een wat losse, groene ‘bloemkool’, het ras ‘Minaret’ spitse, lichtgroene kolen.
Spruitende broccoli is het meest winterhard en heeft de grootste aanhang onder moestuiniers. Zowel ‘Green Sprouting Broccoli’ als ‘Early Purple Sprouting’ zijn zeer gewild, maar er zijn meer goede rassen, ook F1-hybriden. Deze planten kunnen ’s winters in de tuin blijven staan en geven dan al vanaf maart/april kleine kooltjes in een productiestroom die vrij lang door gaat.




